Doorgaans wordt de kinderalimentatie betaald aan de ouder bij wie het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats. Het kind staat bij deze ouder op het adres ingeschreven. Hierbij is het uitgangspunt dat de ouder waar het de hoofdverblijfplaats heeft alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt. Deze ouder betaalt dus niet alleen de kosten voor het verblijf van het kind zoals eten, drinken en uitjes maar ook de overige kosten zoals telefoon, sport, boeken, fiets enzovoort. De andere ouder voldoet de kosten die samenhangen bij het verblijf bij die ouder, zoals eten, drinken en uitjes. Om de overige kosten te voldoen, voldoet deze ouder een bijdrage (kinderalimentatie) aan de andere ouder die alle overige kosten voldoet.

In onderhavige situatie stond het kind ingeschreven bij ouder 1 en was er sprake van een omgangsregeling tussen het kind en ouder 2. Ouder 2 had een laag inkomen en ouder 1 had een hoger inkomen. Ouder 1 had daardoor ook meer draagkracht (ruimte om een bijdrage te voldoen) dan ouder 2.

De rechter stelt vast dat de behoefte van het kind € 276,- (gemiddelde kosten per maand) is. Uit een berekening volgt dat ouder 1 een draagkracht (wat kan hij maandelijks in de kosten van het kind bijdragen) van € 208,- heeft. De draagkracht van ouder 2 wordt vastgesteld op € 25,-.

Gelet op het aantal dagen dat het kind bij ouder 2 doorbrengt is de rechter van oordeel dat ouder 2 door de verblijfsdagen van het kind bij haar 35% van de kosten van het kind voldoet door het kind op de bij haar aanwezige dagen te onderhouden. Dit geeft een gemiddeld kostenplaatje van 35% van de behoefte van het kind hetgeen neerkomt op € 97,- ( € 276 x 35%) per maand. Ouder 2 draait aldus maandelijks voor € 97,- aan kosten op terwijl zij maar € 25,– kan betalen. Ouder 2 kan daarom om een bijdrage van maximaal € 72,- (€ 97 – € 25) aan ouder 1 vragen.

Ouder 1 draagt zorg voor 65% van de zorg van het kind. De kosten die ouder 1 voldoet door het kind op de door hem aanwezige dagen te onderhouden komt daarmee uit op € 179,- (€ 276 x 65%).

Zoals aangegeven heeft ouder 1 een draagkracht van € 208,- en ouder 2 een draagkracht van € 25,-. De ouders zijn daardoor in staat om maandelijks een bedrag van € 233,- op te hoesten t.b.v. het kind. Het kind kost echter € 276,- per maand. De ouders hebben dus te weinig geld beschikbaar om de kosten van het kind volledig te voldoen. De ouder komen € 43,- (€ 276 – € 233) tekort. De rechter is van mening dat de ouder dit tekort moeten delen. Dit komt op € 21,- (afgerond) per ouder neer.

De bijdrage die ouder 1 vervolgens aan ouder 2 moet voldoen wordt door de rechter als volgt vastgesteld:

Ouder 1 kan maandelijks € 208,- betalen. Ouder 1 draagt maandelijks voor een bedrag van € 179,- zorg voor de kosten. Het tekort in de draagkracht moeten ouder delen en dit komt op € 21,- per ouder neer.

Ouder 1 heeft daardoor het volgende over om aan ouder 2 te voldoen:

€ 208 – € 179 + € 21 = € 50,–.

De rechter beslist daarop dat ouder 1 een bedrag van € 50,- per maand aan kinderalimentatie aan ouder 2 moet voldoen.